Dispositie

Hoofdwerk Man. I C – c””
Windlade (H)
Prestant 8′ (F)
Quintadena 16′ (H)
Holpijp 8′ (S)
Speelfluit 4′ (S)
Octaaf 4′ (S)
Quint 3′ (*)
Mixtuur 4-5 st (S)
Octaaf 2´ (S)
Trompet 8´ (S)
Vox Humana 8´ (H)

Rugpositief Man. II, C – c”’

Windlade (H)
Prestant 4′ (F)
Fluit Douce 8′ (?)
Fluit 4′ (?)
Octaaf 2′ (O/N)
Sesquialtera 2-3 st (N)
Scherp 3-4 st (N)
Dulciaan 8′ (H/N)

Pedaal C-d’
Windlade (F)
Prestant 8′ (F)
Bourdon 16′ (S)
Gedakt 8′ (F)
Octaaf 4′ (S)
Bazuin 16′ (F)
Trompet 8′ (S)
Cornet 4′ (S)

* = discant voor Schnitger, bas Schnitger
? = Schnitger of later
S = Schnitger, H = Hinsz, F = Freijtag
O = Van Oeckelen
N = Edskes (1958), Ruiter (2002)

– Tremulant over het hele orgel
– Pedaalkoppel (Van Oeckelen)
– 3 afsluitingsventielen
– Stemming: Werckmeister III
– Toonhoogte: a’ = 473 Hz
– Winddruk 82 mm